Van Warrnambool naar Halls Gap

Sinds we in Singapore begonnen, is de temperatuur in de loop van onze vakantie ongeveer gehalveerd. Van zo’n 30 graden toen, naar ongeveer 15 graden nu. De weersvooruitzichten voor onze laatste week zijn niet super gunstig; er wordt de nodige regen voorspeld. Maar dat was ook de verwachting voor de afgelopen paar dagen, en toen zijn we de dans goed ontsprongen.

Vandaag hebben echter wel wat nattigheid gevoeld. Vooral vanochtend, tegen het eind van ons bezoek aan Flagstaff Hill Maritime Village in Warrnambool, wat bestaat uit een binnendeel en een groot openluchtgedeelte. Overdekt vind je er vooral veel overblijfselen van de vele tientallen schepen die in de tweede helft van de 19e eeuw voor de zuidoostkust van Australië op de klippen liepen. Het gebruikelijke spul, zoals serviesgoed, juwelen en klokken, maar het pronkstuk is een manshoge pauw van geglazuurd aardewerk. Die werd vervoerd door het schip Loch Ard, dat in 1878 verging. Een ‘one of a kind’ kunststuk blijkbaar, want de waarde wordt nu geschat op 4 miljoen Australische dollar (ongeveer 2,5 miljoen euro).

Maar het leukste vond ik het buitengedeelte van het museum. Daar was een heel dorpje van halverwege de 19e eeuw nagebouwd. Een dokterspraktijk, kledingmaker, bank, school, kerk, scheepswerf, touwslager, bar, smit, enz. Alle gebouwen waren ingericht en toegankelijk. Zeg maar een compacte variant van het Openluchtmuseum in Arnhem. Een hele leuke manier om de geschiedenis wat tot leven te laten komen.

Ik smul ook altijd van de ‘weetjes’ die je in dit soort musea kunt lezen. Mijn favoriet van vandaag: toen er nog maar net Britse immigranten is Australië woonden, was er een enorm tekort aan geld. De Britse regering stuurde toen 40.000 Spaanse muntstukken op. Gouverneur Macquarie droeg vervolgens een gevangene, veroordeeld voor vervalsing, op om uit elk van die munten een rond middenstuk te stansen. Daardoor ontstonden 80.000 munten: 40.000 met een donutvorm (de ‘holey dollars’, die per stuk 5 shilling waard waren) en hetzelfde aantal middenstukken (de ‘dumps’, met een waarde van 15 pence elk).

Je ziet op de hoofdfoto al dat het een grauwe ochtend was, en we waren eigenlijk net klaar met het openluchtgedeelte, toen het flink begon te regenen. Net genoeg om rennend naar de auto een nat pak te halen, zeg maar 😅.

In Port Fairy was het weer opgeklaard en stapten we uit om door het grappige centrumpje te lopen. De winkeltjes hadden zo tussen die in het Maritime Museum kunnen staan. Er was zelfs nog een winkeltje dat muziek en boeken verkocht: Revival Records. Terwijl ik de kast met tweedehands cd’s doorliep, zei eigenaar Ross Colley dat hij een paar deuren verderop even koffie ging halen. Als ik in de tussentijd iets uit zijn winkel zou verkopen, zou ik een commissie krijgen. En weg was hij, een kwartier lang. Wat een vertrouwen! 🤩

Ik vond een cd van The Posies en Peet een boekje over de geschiedenis van Warrnambool, maar het duurde even voordat we konden afrekenen. Colley vertelde honderduit over zijn voormalige werk als ingenieur in de scheepssector, zijn liefde voor Jan Akkerman, Focus en Golden Earring en over het feit dat zijn winkeltje eigenlijk vooral een uithangbord is voor zijn online-verkoopactiviteiten. Mooie man, die erop stond dat ik hem een mailtje zou sturen als we weer thuis waren. Dat doe ik zeker!

Verderop op de route reden we langs de imposante Mount Sturgeon en door hele bossen met kale en recent verbrande bomen. Toen ik me bedacht dat ik van die bomen wel een foto wilde, waren de verbrande exemplaren ‘op’, en stonden er i.p.v. hele bossen nog maar een paar exemplaren bij elkaar. Hopelijk snap je de bedoeling…

Dit zijn trouwens eucalyptusbomen, en hun blaadjes zijn het favoriete voedsel van koala’s. Dit is een van de redenen dat veel van die bomen geen blaadjes meer hebben. Een andere reden is, dat eucalyptusbomen, om te kunnen overleven, eens in de zoveel tijd tot hun sokken moeten affikken. Dat vinden ze lekker. Daarna bloeien ze, letterlijk en figuurlijk, weer helemaal op. Die kale bomen smachten dus naar een vuurtje. Het is o.a. om die reden, dat met enige regelmaat stukken eucalyptusbos gecontroleerd worden platgebrand. Bijkomend voordeel is, dat als daarna een natuurbrand ontstaat, die al verkoolde gebieden de verspreiding van het vuur vertragen. Dit verhaal hoorden we in Port Douglas al, maar kon ik hier niet eerder kwijt.

Nog een ander (eigen)aardigheidje over deze bomen: hun stam is vaak kaal, omdat ze uit zichzelf hun bast laten vallen. Dat is een overlevingsmechanisme. Die bast eet alleen maar mee en heeft voor de eucalyptus schijnbaar niet echt een functie. Bovendien ontdoen ze zich, door hun omhulsel af te schudden, van mossen en parasieten op die bast. Net zo makkelijk laten ze om dezelfde redenen vaak spontaan hele takken vallen. Je kunt dan ook beter niet je auto onder een eucalyptusboom parkeren…

Op het laatste deel van de reis van vandaag ging meerdere keren een droom in vervulling. Eerst zagen we in de berm van de weg een kleine, zwarte kangoeroe (dat bleek later een rock wallaby), en een paar kilometer verderop huppelde een echte kangoeroe (formaat: huge) op tien meter afstand voor onze auto langs over de weg. De manier waarop zo’n dier zich met relatief kleine sprongetjes voortbeweegt, heeft enerzijds een enorme elegantie, maar anderzijds een enorme traagheid. Het leek wel of een film vertraagd werd afgespeeld. En toch was ik te verbijsterd, geshockeerd en blij tegelijk om een foto te maken.

Ik begrijp nu ook wel waarom we vandaag meer kangoeroes en wallaby’s (kleinere soortgenoten) dood langs de kant van de weg hebben zien liggen dan levend voorbij hebben zien huppelen. Aan de ene kant zijn het avond/nachtdieren en is het overdag waarschijnlijk te licht voor ze, maar het helpt ook niet mee dat je hier op veel wegen die vergelijkbaar zijn met provinciale wegen in Nederland, 100 km. per uur mag rijden. Wij houden het meestal bij de 80 km. per uur die we gewend zijn, genieten van de natuur om ons heen en maken graag gebruik van de inhammen voor ‘langzaam verkeer’ om ons te laten inhalen.

Uiteindelijk kwamen we vanmiddag aan bij onze bestemming voor vanavond en morgenavond: Dulc Cabins in Halls Gap. Een ruim opgezet parkje met slechts vijf chalets, elk helemaal omgeven door het bos. Op de begane grond schijnen met een beetje geluk de wallaby’s en emu’s door je tuin te struinen, en vanuit de slaapkamer op de verdieping kijk je recht de boomkruinen in. Daarom noemen ze die chalets ’treehouses’. Nu al mooi!

Bij aankomst dachten we trouwens vuur te ruiken, maar dat bleek de houtkachel van de eigenaars te zijn. Met 15 graden is het hier voor hun doen ijskoud, en de 6 graden die voor vannacht is voorspeld, is voor hen een huiveringwekkende gedachte. Gelukkig zijn wij wel wat gewend, maar eerlijk is eerlijk, de gaskachel snort hier nu ook lekker.

Morgen, ijs en weder dienende, een nieuwe update… ❄🌦

Geef een reactie