Last stop: Cagliari

Het Castello Quarter, dat ongeveer voor de deur van ons appartement begint, zijn in feite de oude vestingwerken van Cagliari. Vestingwerken zijn bedoeld als verdediging en liggen dan ook vaak hoog, uitkijkend over de verre omgeving. Slim, uit verdedigingsoogpunt, maar het betekent voor de hedendaagse bezoeker een enoooorme hoeveelheid traptreden omhoog. Daar staat dan weer wel een fantastisch uitzicht tegenover.

Zo’n vestingwerk is een stadje op zich. Zeker in Cagliari geldt, dat het weliswaar historische grond is, maar dat het ook een wijk is waar nog gewoon mensen wonen. En hoe smal de straatjes ook, daar rijden (dus) ook nog gewoon auto’s. Ik heb overigens het idee dat Italianen niet bovenmatig aan hun auto’s gehecht zijn. Dat moeten ze ook niet doen, want dat wekt alleen maar teleurstelling en frustratie in de hand. Als je als Italiaan één zekerheid hebt, dan lijkt dat wel te zijn dat je auto gekrast of gebutst raakt. Door een onhandige manoeuvre van jezelf óf een medeweggebruiker. Die smalle straatjes, de weinige en te kleine parkeervakken helpen dan niet echt…

Eigenlijk lijkt het Castello Quarter niet echt op toerisme berekend. Je wandelt gewoon het leven van ‘gewone’ Sardijnen binnen. Ook hier is duidelijk dat Sardinië niet echt een rijk eiland is. In tegendeel. Het is in de loop der eeuwen in handen van vele verschillende landen geweest en daarbij vooral van strategisch belang geweest. Er is nooit écht in het eiland geïnvesteerd en dat zie je er ook wel terug. ‘Gewone’ gebouwen, maar ook monumenten en andere bouwwerken van historische waarde zijn niet altijd in de staat gehouden die ze verdienen. Ook de woonhuizen met hun mooie balkonnetjes, aan weerszijden van die typische smalle straatjes, zijn bij nadere beschouwing vaak niet in al te beste staat. De Sardijnen verdienen beter…

Wat ons ook opviel, is de grote hoeveelheid graffiti op de muren. Politieke leuzen, geen street art. Hoewel we die in een vaag steegje ook tegenkwamen, maar daar leek toch een anarchistisch sfeertje omheen te hangen.

Omdat Castello Quarter dus gewoon een stadje op zich is, hebben ze er ook kerken (joh!). En omdat het Italië is, zijn dat er veel. En omdat de kerk wél geld heeft, zien die er vaak picobello uit 😉. Het is niet te geloven hoeveel interieurs van kerken ik als ongelovige in mijn leven al gefotografeerd heb. Zeker sinds ik Peet ken. Altaars, beelden, kolommen, zijbeuken, gebrandschilderde ramen, nisjes, grafkelders, koren, schilderijen, preekgestoelten, doopvonten, orgels… been there, done that. En vergeet in een kerk nooit omhoog te kijken; de plafonds zijn vaak prachtig beschilderd!

Verder zijn er in Castello Quarter veel musea. Spotgoedkoop (en ook niet allemaal even interessant, maar hé, voor 1,50 euro…). Wél bijzonder was een museum met wassen anatomische modellen, waarin je exact kunt zien hoe de mens in elkaar zit. Bloedvaten, spieren, handen en voeten, zenuwbanen, alles! Erg interessant, vooral het feit dat al die modellen eind 18e, begin 19e eeuw al gemaakt zijn en men die kennis destijds blijkbaar al zo gedetailleerd had. Maar niet per se gezellig, zeker niet voor de gevoeligeren van inborst 😉

Morgen rijden we terug naar het vliegveld in Olbia, vanwaar we morgenavond naar Nederland terugvliegen. Ik zal zondag nog wel samenvattende terugblik plaatsen, dus stay tuned. Ciao!

Geef een reactie