Ontwikkeling Nederlandstalig lied

Wat is nu een toepasselijker dag om onderstaande tekst te publiceren dan de openingsdag van levensliedseminar/-festival Buma NL? Het stuk geeft, in vogelvlucht, de ontwikkeling weer van het Nederlandstalige lied. Ik schreef het vorige week in opdracht en mensen toonden direct belangstelling om het te lezen. Dat kan dus bij deze…

In 1895 begon het eerste cabaret in Amsterdam, eigenlijk bij toeval. Toen de pianist van een club niet kwam opdagen, beklom dichter/zanger Eduard Jacobs het podium. Hij bracht een paar cabaretnummers ten gehore en het publiek vond het geweldig. Aan het begin van de 20ste eeuw kregen cabaretiers als Koos Speenhoff, Lou Bandy, Fien de la Mar, Louis Davids, Max Blokzijl en Jean-Louis Pisuisse een sterrenstatus.
Aan die laatste twee wordt ook het bedenken van de term ‘levenslied’ toegeschreven. Dat gebeurde al in 1908. Tijdens een tournee door Nederlands-Indië zochten zij een Nederlands alternatief voor het Franse woord ‘chanson’,waarmee ze tot dan toe hun repertoire aanduidden. Dat werd dus ‘levenslied’: een lied waarin het echte leven vervat zit. Het woord werd al snel overgenomen door zangers van veel sentimenteler repertoire dan dat van Pisuisse en Blokzijl.
Louis Davids sloeg in 1920, met zijn hoofdrol in de uitvoering De Jantjes, de brug naar een nieuwe‘hype’ (als dat toen al zo heette): de musical. Ook radio-orkesten, zoals De Ramblers met onder andere zangeres Annie de Reuver, genoten aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog grote bekendheid. Uit die tijd stamt ook het nummer Loesje van Wim Poppink & De Ramblers, dat op dit moment in een hippe remix opnieuw populair is. Bij jongeren, nota bene!

Pas toen jongeren zich voor die muziek gingen interesseren, kon worden gesproken van popmuziek. De introductie van het fenomeen zakgeld, in de 50-er jaren,was daarin van groot belang. Dat werd uitgegeven aan bromfietsen, sigaretten en… grammofoonplaten. De eerste Nederlandse artiest die veel platen verkocht was Eddy Christiani. Ook Max van Praag, Willy Alberti, Johnny Jordaan, de Zangeres Zonder Naam en de Straatzangeres deden het goed, want halverwege de jaren ’50 werd het levenslied steeds populairder.
De eerste echte Nederlandse rocksingle verscheen in 1960: Kom Van Dat Dak Af van Peter & zijn Rockets. De radio sprong op deze trend in met speciaal op jongerengerichte programma’s als Tijd Voor Teenagers en Tussen 10+ en 20-. Hierdoor groeiden Rob de Nijs, Anneke Grönloh, Ria Valk en Willeke Alberti uit tot tienersterren.

Voor ouderen viel er echter ook nog genoeg te genieten. De akoestische Nederlandstalige folkpop van Jaap Fischer en Boudewijn de Groot bijvoorbeeld, of de chansons van cabaretiers als Toon Hermans en Wim Sonneveld.Ondertussen wisten Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink miljoenen aan de buis te kluisteren met hun televisiemusical Ja Zuster, Nee Zuster en won  Nederland in 1969 zelfs het Eurovisie Songfestival met De Troubadour van Lenny Kuhr.

Mede dankzij Johnny Hoes en Pierre Kartner genoot het levensliedgenre ruim 25 jaar lang een grote populariteit. In de jaren ‘80 kwam er een kentering: André Hazes en Koos Alberts scoorden weliswaar incidentele hits maar verder braken er nauwelijks nieuwe artiesten door. Totdat het circuit van de illegale piratenzenders en de kleine, in het levenslied gespecialiseerde platenmaatschappijen halverwege de jaren ’90 een nieuwe held voortbracht: Frans Bauer. Het begin van een revival, bleek toen ook Corry Konings, Marianne Weber en Jan Smit de hitparades bestormden. En na jarenlange carrières bereikten ook Jannes en Dries Roelvink de top.

Eentje mag ik in deze (incomplete) opsomming niet vergeten… Natuurlijk kun je lachen als een Nederlandstalige artiest Frans Duyts heet, en hem smalend wegzetten als een ‘nep-André Hazes’, maar ondertussen verkoopt hij drie keer zoveel cd’s als bijvoorbeeld Moke, waar heel druk om gedaan wordt. Daarmee wil ik niets afdoen aan de belangstelling voor Moke, maar die moet wel in het juiste perspectief gezien worden.
Muziek in onze moerstaal kent sowieso zijn eigen regels. Nederland digitaliseert op allerlei gebied alsmaar verder, maar uit onderzoek van GfK blijkt, dat het percentage digitaal in de totale albumverkoop bij Nederlandstalige muziek juist lager is dan bij anderstalige muziek. Zegt dat iets over hoeveelheid beschikbare tijd en aanbod, of over bereidwilligheid om dit product digitaal te kopen? Het antwoord op die vraag krijgt u morgenmiddag in de presentatie van GfK op Buma NL.

Zoals ik al even memoreerde: er is een nauw verband tussen de populariteit van het Nederlandstalige lied en de aandacht van de media. Twee kanten op. In de jaren‘70 was het vooral de TROS die vierkant achter dit genre ging staan. Programma’s als Op Losse Groeven en Op Volle Toeren bracht vele sterren voort,en de latere specials lanceerden topartiesten als BZN, Frans Bauer en Jan Smit. Toen de belangstelling van de grote media voor het levenslied in de jaren ’80 afnam, namen de piratenzenders die rol over. Zij waren zo populair doordat ze veel muziek van eigen bodem draaiden, en maakten die muziek tegelijkertijd nóg populairder. Voor een evenement als het Mega Piraten Festijn, dat niet voor niets zo heet, geldt tegenwoordig hetzelfde.
De laatste jaren zijn het vooral commerciële omroepen die het Nederlandstalige lied omarmen. Vanmiddag geeft Nielsen Music een analyse van de mate waarin Nederlandstalige muziek in de Nederlandse media vertegenwoordigd is, en ik mag al een paar veelzeggende cijfers verklappen. Zo lag het percentage Nederlandstalige muziek in 2005 op 6%, maar is dat sinds2006 een redelijk stabiele 16%. Een forse stijging, die is toe te schrijven aan de komst van 100%NL, RadioNL en TV Oranje.

Dat Nick & Simon en de 3J’s gedraaid worden op 3FM, komt mede doordat hun muziek ook als ‘camp’ gezien wordt. Opportunistisch? Wellicht. Maar ook gewoon aandacht. Positieve aandacht. En terechte aandacht.

Dit bericht is geplaatst in Artiesten, Entertainmentbranche, Muziek, Radio, Televisie, Werk. Bookmark de permalink.

Geef een reactie